Leiderschap gaat niet over de ander veranderen, maar leiderschap begint bij het onderzoeken van jezelf.

‘Goed leiderschap begint bij jezelf'

Goed leiderschap binnen bedrijven wordt vaak vertaald naar hogere omzetten, extra groei en meer winst. De vraag: ‘hoe kan het (nog) beter?’ is dan ook veel gesteld in de directiekamer. Een interessant, maar niet eenvoudig thema. Want vele (onzichtbare) factoren spelen een rol. Denk aan technologische ontwikkelingen, veranderend consumentengedag, economische marktdynamieken en intern aan bijvoorbeeld de organisatiecultuur of -structuur. De ene situatie is ook de andere niet en resultaten of de mate van succes zijn zeker niet altijd direct aan de kwaliteit van leiderschap toe te schrijven. Het is kortom een complex thema waar goed inzicht, onderscheidingsvermogen en ervaring voor nodig zijn om de kern van leiderschap werkelijk te doorgronden.

De diepere vraag: ‘waarom willen we steeds maar meer, hoger of beter?’ komt echter zelden aan diezelfde tafel ter sprake. En dat terwijl het marginale economische nut van ‘meer’ steeds verder afneemt en uiteindelijk zelfs tendeert naar nul. Dus op de keper beschouwd leidt de eenzijdige vraag ‘hoe kan het nog beter?’ tot een steeds smaller wordend pad, waar oplossingen per definitie eindig zijn.

Het inzicht is kennelijk niet wijd verbreid dat ‘het streven naar steeds meer’ altijd ten koste gaat van iets of iemand anders. Denk daarbij breder dan alleen de concurrent, de medewerker of de leverancier. Maar ook aan het thuisfront, het milieu, de maatschappij, maar ook aan de tijd om te overdenken en te reflecteren. Het ene nastreven gaat ten koste van het andere. Of we willen of niet, we zitten nou eenmaal vast aan fysieke wetten van het leven, waar elke upside per definitie ook een downside kent.

Nu hoor ik sommigen denken: ‘nogal wiedes, zo is onze maatschappij ingericht! Het gaat juist om winnen, het veroveren van het schaarse goed, om ‘survival of the fittest’, doe niet zo naïef!’

En ik ontken dat zeker niet. Want winnen is ook een leuk spel, kan veel voldoening geven, maar zie dan wel de andere zijde van dezelfde medaille tegelijkertijd: ‘winnen ten koste van wat?’ Geld heb je nodig om te leven, maar wanneer komt het moment dat de ander te weinig heeft? De rijken worden steeds rijker en de armen dus almaar armer. Hard werken en gezonde ambitie is geen probleem, maar wanneer gaat dat ten koste van de privé situatie? Allemaal zijn we op zoek naar aandacht, erkenning maar het aantal scheidingen is nog nooit zo hoog is geweest. Het met oogkleppen op streven naar steeds meer en beter, gaat uiteindelijk ook ten koste van de eigen integriteit. In de sportwereld kun je dat goed zien aan het dopinggebruik of aan onsportief gedrag. Want als het hoogst haalbare zo’n beetje bereikt is, kun je alleen door de boel te bedonderen nog beter worden. Een gevaarlijk spel.

Want de wil om te winnen blijkt groter geworden dan de compassie met de ander of met de omgeving. En daarmee doen we onszelf enorm geweld aan. Het ego is gevaarlijk op de eerste plaats gekomen. Want het ego heeft nooit genoeg, het draaft maar door, kent geen einde. Ook al zijn de menselijke behoeften al lang vervuld. Daarmee holt onze leefomgeving op vele fronten hard achteruit. Wees eerlijk, het gaat velen van ons goed, maar niemand kan tevreden zijn met deze tendens.

En dat is precies waar de metafoor ‘survival of the fittest’ mank gaat. Want de koning van de jungle houdt op met jagen zodra zijn natuurlijke behoeften vervuld zijn. Die neemt niet meer dan hij strikt nodig heeft. Dat is zijn ware natuur. Maar wij gaan door, steeds meer, steeds hoger, steeds beter, net zolang totdat we het systeem ruïneren. Ons gedrag is geconditioneerd. We hebben daardoor nauwelijks invloed op de manier waarop we reageren op onze (onzichtbare) impulsen. We lopen daardoor blindelings achter de wortel aan die de ezel doet lopen, namelijk ons eigen ego. Want ons ego wil winnen, succesvol zijn, zijn status verhogen. Ten koste van veel. Zo ontstaat de wapenwedloop van het ego. En dát is echt een gemiste kans, paradoxaal genoeg met name voor onszelf.

Het leven kent namelijk tegelijk zoveel meer diepgang. Er is nog zoveel meer te ontdekken. Je moet er alleen voor open staan. Maar als je in staat bent te reageren vanuit je eigen bron, je eigen zelf, je ware aard. Dan hoef je niet meer je verworven positie te verdedigen. Dan kunnen de angsten, de beperkende gedachten oplossen. Dan accepteer je het leven zoals het is en zie je de dingen zoals ze zijn. Dan zit je niet vast aan je ego-patronen, maar ben je vrij. Vrij in je denken, vrij in je emoties, maar ook lichamelijk vrij. Daar komt een energie, passie en levensvreugde bij vrij. Dat is op een ander niveau, maar vele malen bevredigender. Iedereen voelt intuïtief ergens wel aan dat het zo werkt.

Daarvoor is wel nodig dat we proberen werkelijk onszelf ter discussie te stellen. Onze eigen standpunten te bevragen. Onderzoek te doen naar ons eigen ego en de relativiteit daarvan doorzien. Op een constructieve en eerlijke manier proberen antwoorden te vinden op vragen als: Wie ben ik? Hoe zit het met mijzelf? Hoe zien mijn patronen eruit? En wat is mijn rol in dit geheel? En welke keuzes zijn er? Wat doe ik voor mezelf, voor een ander en waarom? Er ontstaat zo een veel evenwichtiger wereld. Waarin mensen niet op elkaar reageren, maar onafhankelijk van elkaar acteren en tegelijk wel rekening houden met elkaar.

In het Oosten mediteert men dagelijks. Ook maakt men gebruik van yoga en bezoekt men leraren. Doel van dat alles is om de van nature onrustige geest (het ego) weer tot rust te brengen. Zijn kracht te laten verliezen. Gedurende de stilteperiodes die opgezocht worden, kan het ego doorzien worden. Dan is alles in perspectief. Dan kan de cirkelgang, het rad van bestaan, doorbroken worden. Dat noemt men in het Oosten ‘Karma’. Dan komt de ware aard steeds duidelijker boven. De ware aard, die we altijd al waren, en nooit niet zijn geweest, maar die we jammerlijk uit het oog verloren zijn. Dan spreek je uiteindelijk niet meer over jezelf, maar over ongedefinieerd beschikbaar zijn.

In het Oosten zijn ze daarin veel verder dan wij hier in het Westen. Dat is niet per definitie beter, maar wel op een ander niveau. Wellicht interessant de diepgang daarvan eens echt te gaan onderzoeken. En de waarde van deze eeuwenoude filosofieën te gaan inzien.

Grote leiders laten zich namelijk niet leiden door het eigen ego, maar zijn aangesloten op het grotere geheel. Zonder uitzondering hebben zij oog voor de bijeffecten van hun intenties op de omgeving, op de ander en op zichzelf. Daar is wel een fundamenteel ander gezichtspunt voor nodig. Ruimer, minder beperkend, de consequenties aanvaardend. Niet uitsluitend het ene nastrevend en het andere vermijdend. Maar totaal. En dát is onze ware aard. Dat is wat we werkelijk zijn. Dat betekent een intern ontwikkelproces. Goed leiderschap gaat dus helemaal niet over de ander, maar begint bij het onderzoeken van jezelf.

Door Wieke Janssen, schrijver en voormalig partner van Ebbinge.